Een ongemakkelijke waarheid: groeiende bouw kan onmogelijk circulair zijn

Auteur zonder afbeelding icoon
Bouw en Installatie Hub
26 februari 2026
4 min

We willen de bouw circulair maken. Maar de bouw groeit en tegelijk renoveren we meer en slopen we minder. Jan Willem van de Groep wijst erop dat je in zo’n systeem de kringloop nooit kunt sluiten, dat vloeit simpelweg voort uit materiaalfysica. De discussie moet dan ook worden verlegd, vindt hij. 

Recent publiceerden het Economisch Instituut voor de Bouw en Structural in opdracht van Rijkswaterstaat en RVO een omvangrijk onderzoek naar materiaalstromen, MKI en CO2-emissies in de bouw en infra in 2023, inclusief een doorkijk naar 2030 en 2050. Hierin wordt voor het eerst in samenhang inzichtelijk gemaakt hoe groot de fysieke stromen in zowel infra als bouw werkelijk zijn en hoe deze zich naar verwachting ontwikkelen onder gangbare groeiscenario’s.

De studie laat zien dat de bouw tot de grootste materiaalverbruikers van Nederland behoort. In de infra domineren asfalt, beton en granulaire stromen en in de bouw zijn beton, staal en keramische producten zowel qua massa als qua milieudrukbepalend. Tegelijkertijd wordt zichtbaar dat een aanzienlijk deel van vrijkomende materialen opnieuw wordt ingezet en dat asfaltrecycling in internationaal perspectief zelfs bijzonder efficiënt is georganiseerd.

Wie echter verder kijkt dan recyclingpercentages en theoretische matches tussen vraag en aanbod, ziet een fundamentelere spanning die niet technisch maar fysisch van aard is. Namelijk dat de Nederlandse bouwsector netto groeit en daarmee structureel meer materiaal opneemt dan er via sloop vrijkomt, waardoor het systeem per definitie absorberend is en gesloten materiaalkringlopen op sectorniveau wiskundig onmogelijk worden zolang de voorraad blijft toenemen.

In de bouw wordt deze spanning versterkt door een dubbele squeeze. Enerzijds blijft de woningvoorraad en de utiliteitsvoorraad groeien, waardoor de vraag naar primaire materialen het aanbod uit sloop overstijgt. Anderzijds schrijft de maatschappelijke en klimaatmatige logica juist voor dat we minder moeten slopen en meer moeten renoveren, transformeren, optoppen en verlengen. Vanuit duurzaamheid bezien is dat verstandig, maar tegelijkertijd betekent het dat de toch al beperkte sloopstroom verder afneemt en de beschikbaarheid van secundaire materialen niet alleen relatief maar ook absoluut kleiner wordt.

Daarmee ontstaat een paradox die zelden expliciet wordt benoemd: hoe succesvoller we zijn in het voorkomen van sloop, hoe kleiner de secundaire materiaalbasis wordt waarop het circulaire verhaal in de nieuwbouw rust.

Ook infra blijkt minder autonoom dan vaak wordt gedacht. Want hoewel asfalt hoogwaardig wordt gerecycled, is de sector voor granulaire toepassingen in belangrijke mate afhankelijk van puinstromen uit de sloop van gebouwen. Dus zet een daling van sloopvolumes in de bouw indirect ook de secundaire grondstoffenbasis voor infrastructuur onder druk, waardoor alternatieven veelal primair zijn. Het materiaalstromenonderzoek maakt daarmee duidelijk dat circulariteit niet alleen een kwestie is van betere scheiding, slimmere contracten of efficiëntere recyclinginstallaties. Primair wordt het begrensd door volumeverhoudingen tussen instroom en uitstroom, waarbij in een groeiscenario de instroom structureel groter is dan de uitstroom en de afhankelijkheid van primaire materialen dus blijft bestaan.

Tegelijkertijd toont de studie dat de dominante milieudruk in de bouw voortkomt uit constructieve materialen zoals beton en staal. Optimalisatie van recyclingpercentages sorteert dan ook slechts beperkt effect zolang nieuwe gebouwen grotendeels uit impactintensieve primaire materialen worden opgebouwd en de absolute bouwproductie hoog blijft.

De conclusie dat de bouw in een groeiend systeem nooit volledig circulair kan worden, is dan ook geen normatieve uitspraak maar een constatering die voortvloeit uit materiaalfysica. Juist daarom is het relevant om de discussie te verleggen van de belofte van gesloten kringlopen naar de vraag hoe we binnen een open, groeiend systeem de materiaalvoetafdruk per toegevoegde vierkante meter drastisch kunnen reduceren. De uitweg ligt dan niet in het najagen van een perfecte kringloop, maar in een combinatie van fundamentele strategieën waarbij materiaalreductie centraal staat door minder kilogram per vierkante meter te gebruiken en levensduur en adaptiviteit als kernontwerpprincipes worden gehanteerd. Zo kunnen gebouwen generaties meebewegen zonder sloop, en verschuift de onvermijdelijke primaire instroom naar hernieuwbare en laag-impact-materialen die het systeem niet alleen minder belastend maar in veel gevallen zelfs regeneratief maken doordat zij koolstof langdurig vastleggen.

Wanneer we circulariteit niet langer definiëren als het volledig sluiten van de kringloop, maar als het organiseren van een bouwpraktijk die ook bij groei binnen planetaire grenzen kan opereren, ontstaat een eerlijker en strategisch sterker verhaal dat beter aansluit bij de realiteit van de Nederlandse bouwopgave. Snelheid en betaalbaarheid kunnen alleen geloofwaardig worden gecombineerd met toekomstbestendigheid als we de volumelogica van materiaalstromen onder ogen durven te zien. Dat is minder comfortabel dan het circulaire ideaalbeeld, maar uiteindelijk consistenter met de feiten én met de verantwoordelijkheid die de sector draagt.

Dit artikel is geschreven door Jan Willem van de Groep, programmamaker, toekomstdenker en publicist. Hij is onder meer bekend van het overheidsprogramma Building Balance. In zijn rubriek Zichtlijnen geeft hij zijn visie op de grote lijnen in de bouw.