Old school isoleren Tekst: Marion de Graaff, Tekstbureau ’t Kofschip, Beeld: Shutterstock

Misschien ben je het bij sloop- of renovatiewerk wel eens tegengekomen: mos, wol, boekweitdoppen of zeegras. Het zijn allemaal materialen die vroeger gebruikt werden om mee te isoleren.

Tegenwoordig is het onmogelijk om te bouwen zonder te isoleren. Dat is nog niet heel lang zo. Het jaar waarin isolatie definitief een vast onderdeel van de bouw ging uitmaken is 1973, toen de eerste oliecrisis een feit was. Op dat moment werd pas echt goed beseft dat isoleren een substantiële energiebesparing kan betekenen en werd het vanuit de overheid verplicht. 

Vullen en bekleden

De oudste vormen van isolatie in Nederland werden aangetroffen in woonhuizen en gaan terug tot de periode 1600-1650. Het woord isolatie werd toen trouwens nog niet gebruikt, in oude technische woordenboeken staan wel termen als (op)vulling, bekleding en pakking. Het buiten houden van vocht en kou en binnen houden van de warmte waren redenen om te isoleren. Men ging spouwmuren bouwen en die vullen en er werd isolatiemateriaal onder vloeren, boven plafonds, in deuren en luiken aangebracht. Er werden allerlei organische materialen gebruikt om mee te vullen of te bekleden, zoals mos, wol, vlasafval, boekweitdoppen, hooi, stro en riet. Die natuurlijke materialen werden los in spouwmuren of onder vloeren gestort. Met de opkomst van de industrie werden andere manieren ontwikkeld om de materialen te verwerken. Er werden bijvoorbeeld platen van turf en kurk geperst. Platen konden sneller worden aangebracht en waren daardoor populair. Niet alleen de manier van isoleren werd anders, de materialen veranderen ook. Er werden anorganische en synthetische materialen ontwikkeld die soms beter en vaak goedkoper waren, zoals steenwol en glaswol, maar helaas ook asbest. 

Gaaskokers

Niet alleen woningen en gebouwen maar ook leidingen werden met verschillende materialen gevuld en bekleed. Er zijn gaaskokers ontdekt met los isolatiemateriaal erin en aan de buitenkant afgewerkt met textielgaas en gips. Dat kon natuurlijk alleen maar bij leidingen worden toegepast die inpandig lagen. Leidingen buiten werden met een teermengsel ingesmeerd en vormde zo een waterdichte laag. Als de buizen alleen maar warm werden, volstond organisch materiaal. Bij hoge temperaturen van meer dan 100°C waren anorganische materialen nodig. Grote ketels in fabriekshallen werden geïsoleerd door de ruimte tussen een gazen omspanning en de ketel op te vullen met isolatiemateriaal waarna er cementpleister overheen ging. Om dat geheel werd dan nog een wand van plaatstaal gelegd. Voor de isolatie van dergelijke ketels en ook van leidingen waar hoge temperaturen door gingen, werd vaak steenwol gebruikt. Dat was goedkoop en goed te verwerken. 

Brandveiligheid

Veel oude isolatiematerialen die opduiken, verkeren nu nog – soms wel driehonderd jaar later – in een prima staat. Het is meestal niet nodig om ze te vervangen. Soms moet het materiaal wel worden aangevuld omdat er bij het slopen/renoveren een deel verloren is gegaan, of in situaties wanneer een gebouw vergroot wordt. Bij het aantreffen van oude isolatiematerialen is het altijd belangrijk om naar de brandveiligheid te kijken. Sommige materialen zijn behoorlijk brandgevaarlijk maar kunnen na een speciale behandeling blijven zitten. Soms is het misschien toch beter om ze te verwijderen. In het kader van duurzaamheid en circulair bouwen wordt er tegenwoordig weer gekeken naar organische materialen voor isolatie. Bouwen met stro is een daar een mooi voorbeeld van.

Ook interessant